
Zicht op Weesp (gedeelte van een tekening
van Joannes Peeters en Gasper Bouttats uit 1659) |
Stadsrecht: eigen rechten voor de stad
Het verkrijgen van het stadsrecht was van enorme betekenis. Het
betekende een recht of een complex van rechten waarvan in een
middeleeuwse stad rechtspraak, bestuur en wetgeving gevestigd en
verder ontwikkeld werden. Maar ook was het de bevestiging van de
stad met muren, torens en poorten en de versterking van de
bijzondere positie van de stedelijke gemeenschap. Dat betekende
natuurlijk meer zelfstandigheid voor de stad.
Aan Weesp werd het stadsrecht verleend op 20 mei 1355 door
Hertog Willem V van Beieren, Graaf van Holland (1333-1389). Weesp
kreeg daardoor een eigen regering, eigen rechtspraak en eigen
rechters. Ook werd het poorterrecht ingevoerd, dat noodzakelijk
was voor die bewoners die een eigen beroep of bedrijf wensten uit
te oefenen. De stad Weesp was toen niet zo groot: de stad lag
ingesloten tussen de Vecht, Oude Gracht, de Herengracht en Achter
't Vosje.
Het stadsrecht hield ook in dat diverse privileges (gunsten)
verleend werden of konden worden verleend. Reeds eerder verleende
privileges werden bevestigd. Op 3 maart 1356 verleende Willem van
Beieren aan Weesp het privilege van tolvrijdom voor Holland,
Zeeland en Friesland. Door de latere Hoge Landsheren werden
verdere privileges verleend, zoals de vrije jaarmarkt op 10
oktober, vrijheid en rechten in Amstelland, het oprichten van een
dobbelschool (speelhuis), uitbreiding van de stad met 50 roeden
aan de Oostzijde, windbrief (regels voor het exploiteren van
windkracht (molen), tolvrijdom van de tol te Spaarndam, instelling
van de Vroedschap, het benoemen van burgemeesters en schepenen en
eed voor de vroedschappen.
Afhankelijk van de behoeften konden privileges in de loop der
tijden gewijzigd of vermeerderd worden maar opheffing was niet
mogelijk. Wanneer deze privileges eenmaal verleend waren, waren
zij ook voor de landsheer onaantastbaar.
bekijk het stadsrecht-document uit 1355
home
|